19 juni 2008
Eerste ervaringen
Voor mijn MA onderzoek verblijf ik sinds anderhalve week in Damak, vanwaar ik iedere ochtend de bus neem naar één van vluchtelingenkampen. Hier loop ik mee op scholen en in jongerencentra, en interview ik docenten, jongerenwerkers en jongeren. Met al deze informatie hoop ik inzicht te krijgen in de rol van onderwijs op de nationale identiteit en het verbondenheidgevoel met Bhutan onder jonge Bhutanese vluchtelingen. Hieronder een korte indruk van mijn eerste week.
Het eerste bezoek aan een van de in totaal zeven vluchtelingenkampen breng ik met één van de lokale bussen, die drie keer per uur van Damak naar het kamp rijdt. Wanneer ik denk dat de bus vol zit, blijken er nog zeker tien mensen en evenveel zakken rijst en groente bij te passen. Tijdens de rit negeer ik het duwen en trekken van mensen en geniet ik van het prachtige uitzicht over de rijst en maïsvelden, met op de achtergrond het begin van de bergen.
Op het eerste gezicht lijkt het kamp een vriendelijk dorp. Tussen de hutten groeien mooie planten en bloemen en overal is bezigheid. Praktisch voor iedere hut is wel iemand aan het werk, hetzij aan het weven, spinnen of naaien. Snel genoeg realiseer ik me echter dat dit romantische tafereeltje geen deugd, maar pure noodzaak is. Tijdens mijn eerste kennismaking met de scholen, ontdek ik bovendien dat de barre woonomstandigheden en armoede in de kampen eveneens hun impact hebben op het onderwijs.
Het aantal drop-outs is sinds een aantal jaren aanzienlijk toegenomen, waarvoor docenten verschillende verklaringen geven. Door een tekort aan kerosine hebben de leerlingen 's avonds geen licht om bij te studeren. Veel kinderen zijn bovendien gedwongen te werken naast hun school. Meisjes werken veelal in of rond het huis. Ze halen water (dat slechts twee keer per dag op gezette tijden uit de gezamenlijke kraan stroomt); koken het eten; of verdienen wat extra geld door wol te spinnen of te weven. De jongens vind je eerder in Damak, waar ze voor 100 rupees (nog geen euro) een hele dag lang zakken zand of stenen heen en weer slepen. En dan zijn er nog de huiselijke problemen (depressieve ouders; zieke ouders; geen ouders; agressieve of dronken ouders) en het toenemende drugsgebruik onder jongeren. Ook verzamelen sommige jongeren zich in bendes of groepen, en spijbelen van school om zich politiek actief te maken voor terugkeer naar Bhutan.
Het aanbod van de Verenigde Staten om 60.000 Bhutanese vluchtelingen uit Nepal te hervestigen in Amerika, speelt eveneens een rol: waarom je school afmaken als je over een jaar in Amerika zit en toch weer opnieuw moet beginnen? Ook de niet-drop-outs lijken volledig in beslag genomen door de procedure. Zodra ze de kans zien, stellen zowel de jongeren als de ouderen me de vraag 'wat te doen?' Veel vluchtelingen zijn het jarenlange wachten en de uitzichtloze situatie in de kampen zat. Maar wat wacht hen in deze westerse landen? Gezien de politieke lading van deze vraag en de spanningen en het geweld die het met zich meebrengt, probeer ik de vraag zoveel mogelijk te ontwijken. Maar zelfs na een paar dagen begrijp ik al dat er weinig is dat deze mensen aan hun kamp lijkt te binden, behalve natuurlijk hun vrienden en familie. Of zoals één van de vluchtelingen het verwoordt: “Het is niet moeilijk om dit kamp te verlaten. In dit kamp hebben we alleen maar moeilijkheden.”