31-03-2010
Tekst: Pernille La Lau
Foto's: Sven Torfinn
Het is woensdag, en we zijn net na een dag reizen aangekomen met een propellervliegtuigje op het vliegveld van Dadaab, Kenia. Nou ja, vliegveld: een landingsstripje dat pal naast wat hutjes van twijgen met plastic zakken als dak ligt. Op het rode Afrikaanse zand staat een rij witte jeeps, wachtend op de 30 passagiers. Grote flexibele radiomasten staan voorop de neus van de witte jeeps. Het is hier niet veilig. De dreiging van Al Shabaab, een extreem islamititsche militie uit Somalië geldt niet enkel voor de honderdduizenden Somaliërs die blijven vluchten uit hun land, maar ook, sinds de verbroedering met Al Qaida, voor de hulpverleners. De laatsten zouden ontvoerd kunnen worden voor losgeld. De omstandigheden van het vluchtelingenkamp worden ons in een supersnelle briefing uitgelegd in de Mensa, een zeer eenvoudig eetgebouwtje met rondom gaas tegen ongedierte. De hitte is verzengend. Onze kleren zijn binnen een half uurtje al doorweekt. De medewerker van UNHCR regelt een beveiligde escorte naar het vluchtelingenkamp Hagadera, één van de drie kampen rond het plaatsje Dadaab. Het is koffer in de kamer gooien, en wegwezen. Het team duizelt nog na een slapeloze nacht van 5 uurtjes in Nairobi. De kamers zijn voor de begrippen hier goed verzorgd. Een verbruinde douche waarvan het water op de grond langs het toilet met afgebroken bril moet lopen, een krakkemikkig bed met klamboe, en 7 bruine tor-sprinkhanen die vervaarlijk in de rondte springen bij mijn poging de gebroken spiegel te bereiken met daaronder gorgelend kraantje. We hebben eigen water, en een bed, en een klamboe; prima. Aan het werk.

We worden zeer professioneel gebrieft in het Hagadera kamp door medewerkers van het IRC, de belangrijkste partnerorganisatie van Stichting Vluchteling. Zij verblijven in tenten die overdag niet bewoond kunnen worden van de hitte. De mensen die hier werken zijn de hele dag buiten in de hitte, geen privacy, geen water, geen bed met klamboe. Uiterst vriendelijk, in goed Engels horen we de problemen van het kamp en haar mensen aan. Tekort aan land voor de mensen die in het kamp verblijven bijvoorbeeld. In Dadaab zijn nu inmiddels 300 duizend mensen die op de vlucht zijn geslagen voor geweld en oorlog in hun land. Voornamelijk uit Somalië. Moeders met kinderen zijn van het ene op het andere moment weggerend, zonder iets. Dagen lopend met hun kinderen, zonder voedsel. In de verzengende hitte, soms bezwijkend en overgeleverd aan hulp onderweg, overgeleverd aan de natuur.
De mensen hier hebben allemaal een verhaal in hun gezicht staan. Ze zijn niet onbevangen, pijnloos. Vandaag hoor ik het verhaal van Maryan (foto). Tijdens haar vlucht met haar negen kinderen werden zij tijdens de nacht bedreigd door leeuwen en hyena’s. Haar kinderen vielen tijdens de tocht bewusteloos neer omdat er geen water en eten was. Het klinkt als een verhaal uit een film, je kan het als westerling niet bevatten. Maar in haar ogen zie ik haar traumatische ervaring terugkomen. Ze lacht aan het einde als ik haar vraag hoe het nu met haar gaat. Maryan is dankbaar dat het is gelukt om haar familie in veiligheid te brengen: “Hier wordt niet geschoten, we hebben eten, het gaat goed met ons.”