09-01-2010
Bij het krieken van de dag staan we op, en vertrekken in alle vroegte naar Sulaimaniyah. We willen gevluchte Irakezen spreken die sinds drie jaar op een braakliggend stuk grond wonen, in zelfgemaakte hutten van hout, plastic en dekens. De meeste mensen die uit het nog altijd uiterst gewelddadige Irak vluchtten, vonden onderdak bij familie of bekenden. Er zijn maar een paar heuse vluchtelingenkampen, zoals dit kampje Qalawa. De nood van ontheemden die noodgedwongen vaak al sinds vele jaren bij hun familie in wonen is groot. Maar veel minder zichtbaar dan de doffe misère van de bewoners van Qalawa kamp, op drie uur rijden van ons hotel in Erbil.
Zo’n 500 mensen, voornamelijk uit Bagdad, wonen in armetierige hutten die door modderige onverharde weggetjes met elkaar verbonden zijn. Er is geen elektriciteit, geen stromend water, ook geen douches, evenmin als redelijke toiletten. Drie hutten zijn onlangs afgebrand. Wat wil je ook, binnen wordt gekookt, olielampen branden en kleine kacheltjes worden gestookt om de kou van de Iraakse winter te verjagen.
We ontmoeten Laila. Laila, 49, is weduwe. Haar man was militair, hij werd doodgeschoten toen hij met het leger van Sadam Hoessein Koeweit binnendrong. Laila bleef achter met hun 6 kinderen. Toen de dag kwam dat de internationale gemeenschap besloot Irak te bevrijden van Sadam, woonde het gezin bij de zus van Laila in huis. Eerst kwamen er dreigbrieven, nu alweer ruim drie jaar geleden.
Bij de buren werden kinderen ontvoerd, en later vermoord teruggevonden. Toen ook de kinderen van Laila en haar zus bedreigd werden besloten ze te vluchten. Ze lieten al hun spullen achter en reisden naar Mosul. Van de regen in de drup, zou later blijken. Het geweld in Mosul bereikte uiteindelijk een ernstiger niveau dan Bagdad. En dus vluchtte Laila en haar 12 familieleden verder naar dit kamp.
Laila is bepaald niet de enige. Een 22-jarige jonge moeder laat me haar kinderen zien. Een pasgeboren baby en een peutermeisje dat vreemd loopt. Ze blijkt een operatie nodig te hebben aan haar been. Maar die operatie kan de familie niet betalen. Binnen lepelt een zus van de vrouw een bord soep aan hun vader. De stokoude man wil maar één ding: terug naar huis
Een jonge vrouw zit in de kleermakerszit op de grond, midden in een groot leeg stuk grond. Het is een bizar gezicht. Ik vraag haar wat ze daar doet. ‘Ik neem een zonnebad’, legt ze uit, ‘ik heb het koud en geen geld voor kerosine voor de kachel’.
Ali is 5 jaar jong. Hij moet nog een kleine baby geweest zijn toen zijn 7 gezinsleden vermoord werden. Alleen Ali en zijn iets oudere broertje overleefden. Ze wonen nu bij een oom, die ook noodgedwongen Bagdad verliet. Het kleine vrolijke manneke sjouwt met twee jerrycans, hij gaat naar de stad. Bedelen voor kerosine.
De verhalen zijn beklemmend, de omstandigheden waaronder deze mensen moeten wonen diepbedroevend. De smerigheid is indrukwekkend, de uitzichtloosheid doet bijna fysiek pijn. Een man die een nieuwe hut bouwt vertelt dat hij alles kwijt is, inclusief zijn drie kinderen. Ze werden ontvoerd. De man kon het losgeld dat voor hen werd gevraag niet betalen. De kinderen werden alle drie onthoofd terug gevonden. Hij zucht gelaten: ‘wat kan ik doen?’
De dorpschef is minder apathisch. Hij barst uit als ik hem vraag wie verantwoordelijk is voor deze situatie. ‘Ik soms?’, hij roffelt op zijn borst. ‘Of hij?’, wijst hij naar een collega vluchteling, ‘of hij’, ‘hij dan?’ Natuurlijk is de internationale gemeenschap verantwoordelijk. Jullie komen hier om met ons te praten en ons te filmen. Jullie gaan naar huis en voor ons blijft alles zoals het nu is. ‘Vreemdelingen zijn de baas in ons land geworden, en wij verschoppelingen in eigen land. Is dit wat jullie democratie noemen? Moeten wij blij zijn dat jullie Sadam verjaagd hebben? Onder Sadam hadden we het veel beter dan nu. Ik wil mijn kinderen fatsoenlijk op kunnen voeden. Hoe moet dat?’. De wanhoop van de man is tastbaar.
Geschokt praat ik na met de medewerkers van een lokale hulporganisatie. Dan blijkt dat ook meerdere van onze begeleiders vluchtelingen zijn uit Bagdad. Een jong meisje met grote treurige ogen vertelt over haar 27-jarige broer. Hij ging werken en kwam niet meer thuis. Na vijf dagen ging de familie zoeken in de ziekenhuizen. De jongen werd teruggevonden in een mortuarium. Zijn lichaam doorzeefd met kogels.
Op de terugweg naar Erbil passeren we minstens tien wegblokkades. Peshmerga’s, beruchte en gevreesde Koerdische strijders controleren elk voertuig. Zij moeten ervoor zorgen dat het geweld uit het zuiden van het land niet noordwaarts reist.