28-08-2008
Directeur van Stichting Vluchteling, Tineke Ceelen, is net terug uit Georgië. Ze bezocht samen met collega Herman Volker de vluchtelingenkampen om te bekijken welke hulp Stichting Vluchteling kan bieden. Lees het dagboek van Tineke:
16/08/2008
Gespannen situatie
Don't worry, it has already been bombed, zegt Eka, de directeur van een Georgische hulporganisatie waar we de hele dag mee van opvangcentrum naar opvangcentrum rijden. We passeren een grote militaire basis, een doelwit dus voor Russische bombardementen.
Vannacht kwamen we aan in Tbilisi, de hoofdstad van Georgië. De stad was deels donker. De chauffeur, en later ook de medewerkers in het hotel, zeggen dat de elektriciteit in een deel van de stad afgesloten is om het de Russen moeilijker te maken het centrum van Tbilisi te bombarderen. Wij klauteren met onze koffers in het pikkedonker naar onze kamers, waar ik geen hand voor ogen kan zien. Met de zaklamp bespeur ik op het bureautje een brief van de hoteldirectie met het verzoek vooral onmiddellijk het hotel via de brandtrappen te verlaten mocht er een evacuatiebevel komen, want ‘as you know, the situation is very tense in Georgia’.
We bezoeken een drietal plaatsen waar vluchtelingen uit Ossetië, maar ook uit het meer zuidelijk gelegen Gori, opgevangen worden. Een voormalig militair hospitaal huisvest 1500 mensen. Er is geen elektriciteit, water komt uit welgeteld één tuinslang. We praten met de 47-jarige Marina, die er vele jaren ouder uitziet. Marina heeft geen idee waar haar man is, of hij nog leeft. Ze barst regelmatig in huilen uit. ‘We waren niet rijk, maar konden ons goed redden’.
Een toilet delen met 98 mensen
Tbilisi telt nu, volgens onze informatie, 60.000 geregistreerde vluchtelingen. Vanochtend stond de officiële teller nog op 23.000. Verspreid over 278 verschillende locaties vinden ze opvang: scholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, slaapzalen, alles wat ook maar enigszins bruikbaar is, wordt toegewezen aan de wanhopige vluchtelingen.
Een achtjarig meisje, en haar tweelingbroertje, zitten op een doorgezakt bed. Het matras is een kartonnen doos. De kinderen zijn heel stil, aangeslagen, en antwoorden alleen na veel aansporing op onze vragen. De moeder staart wezenloos voor zich uit, tranen biggelen over haar wangen. De vader reageert bijna agressief op ons bezoek. Het gezin is alles kwijt, moet nu zien te overleven in dit stoffige kamertje, met niets. Gori, daar woonden ze, tot voor een paar dagen geleden. Nu is hun huis weg, afgebrand, ze hebben letterlijk niets meer.
Elk uur komen er vluchtelingen bij, en elk uur verandert de informatie over de veiligheidssituatie, zegt Eka. ‘Je hebt eigenlijk geen idee wie je moet geloven’.
In een kinderdagverblijf wonen nu 98 mensen. Ze delen één toilet. Een parlementslid heeft de vluchtelingen bedden en matrassen gegeven, maar dekens hebben ze niet. Een vader laat met een bezorgd, maar ook trots gezicht, zijn pasgeboren zoontje zien. De vele journalisten die rondlopen duiken op dit verhaal. Het geweld spaart ook de kleine kinderen niet.
Tentenkamp
In ‘the city of tents’ vaart een lerares Engels tegen ons uit. Ze geeft geen antwoord op onze vragen , maar blijft onvermoeibaar herhalen dat ze niet kan leven in de tenten, met haar kleine kinderen. Ze wil naar het buitenland. Behalve het judopasje van een van haar kinderen heeft ze geen identiteitspapieren. Of wij er voor kunnen zorgen dat ze een paspoort krijgt, zodat ze weg kan uit dit land. Schreeuwend verhaalt ze over de ontvoeringen van jonge meisjes. Busjes worden aangehouden, soldaten selecteren de meisjes die ze willen hebben, halen hen uit de bus. De meisjes verdwijnen zonder enig spoor.
De geplande trip naar Gori zeggen we af. Een journalist vertelt dat collega’s beschoten zijn bij een checkpoint, een luttele 40 kilometer van de hoofdstad. Ook de vluchtelingen vertellen dat Georgische en Russische militairen de weg tussen Tbilisi, geblokkeerd hebben. Er is geen doorkomen aan.
Lees ook deel 2 van Dagboek Georgië