Rillend van de kou wakker geworden. De airco is niet uit te zetten, de afstandsbediening is kwijt en er zit geen aan/uit knopje op het ding. Een warme douche zit er ook niet in vanochtend, want er is geen water, het regende immers afgelopen nacht. Afrikaanse logica, zou ik denken.
We besluiten de Kirgizische kant van het conflict te willen horen vanochtend, en hebben ook best wat vragen voor de autoriteiten. Bij het gemeentehuis, aan de rand van een enorm, megalomaan Oostblokplein, ziet een metershoog standbeeld van Lenin nog altijd toe op ‘zijn’ volk. Pogingen Lenin te vervangen met een meer hedendaags leider strandden op een gebrek aan geld. De toegangswegen tot het plein, en dus Lenin, zijn door het leger afgezet. Er is nauwelijks verkeer, en wat er is, vervoert militairen en wapens. We willen de burgemeester spreken. Zijn faam is hem vooruit gesneld, ‘een gesjeesde crimineel’, zegt een niet te citeren collega. We zullen bevestiging noch ontkenning daarvan kunnen leveren. De man laat ons lang wachten, te lang, voor een clubje ongeduldige westerlingen. Na een half uurtje werkloos de mitrailleurs van de bewakers van de burgemeester bestudeerd te hebben, besluiten we de burgemeester de burgemeester te laten.
Voor de deur van het gemeentehuis staat een woedende menigte Kirgizische vrouwen. Ze zijn gekomen om de terugkeer van tanks en leger naar hun wijk te eisen, ze voelen zich onveilig, bedreigd zelfs, door hun Kirgizische buren. ‘Hoe zit dat dan?’ , vraag ik in alle onnozelheid, ‘de Oezbeken zijn gevlucht, hun huizen zijn in brand gestoken, hun winkeltjes zijn leeggeroofd. Waarom zijn jullie dan bang?’. Dat had ik nou niet moeten vragen. De razernij spat van de menigte Kirgiezen af. Een razende man met traditioneel Kirgizisch hoedje vertelt nogal luidkeels dat de Oezbeken dit conflict begonnen zijn. Zij hebben om 12 uur ’s nachts, een gek tijdstip, de oproep tot bidden gedaan vanaf de moskee. Dat was, volgens deze man, de oproep tot geweld. De Oezbeken hebben hun eigen huizen en winkels in brand gestoken. ‘Jaaaa, krijst een nog bozere vrouw. Die Oezbeken woonden in lemen hutten! Ze denken dat ze nu mooie dure huizen gaan krijgen van jullie, de hulporganisaties.’ ‘Ach roept de man, de Oezbeken hadden juist alle goede huizen en hotels. Ze moeten hun plaats kennen! Ze zijn in Kirgizië hier, niet in Oezbekistan!’
Tentenkampje van Kirgizische vluchtelingen
We besluiten er vandoor te gaan. De menigte raakt steeds meer opgewonden, en is bovendien uitgegroeid tot respectabele omvang. We maken ons schielijk uit de voeten, op naar een klein tentenkampje van Kirgizische vluchtelingen,op een hele centrale plek in Osj. In de vierde versnelling neemt de chauffeur een scherpe bocht. Hij rijdt eigenlijk de hele dag in de vierde versnelling, of ie daarvoor nou te hard of te zacht rijdt kan ‘m niet bijzonder schelen zo te zien. ‘Wat was ook alweer de belangrijkste doodsoorzaak onder hulpverleners’, vraagt mijn collega lichtelijk geïrriteerd, terwijl hij de man tot kalmte maant.
De Kirgiezen in de 24 tenten blijken goed voorzien te zijn van hulp. Tenten uit Pakistan, zeiltjes van UNHCR, water van Acted, voedsel van weer een andere organisatie. We spreken met een aantal mannen die een alleszins redelijke indruk maken. Ze zijn gevlucht uit een deel van Osj, vlak aan de grens met Oezbekistan, dat voor het overgrote deel uit Oezbeekse bewoners bestond. Maar hun onderlinge relatie was prima, benadrukt de man. Zijn Oezbeekse buren passen nu op zijn huis, verzekert hij ons. Wij zijn vooral verbaasd deze hulp te zien, in schril contrast met de Oezbeekse vluchtelingen en ontheemden lijken deze Kirgizische collega’s alles te hebben wat ze nodig hebben.
‘Vandaag voor het eerst’, antwoordt een net thuisgekomen Oezbeekse vluchteling. Vandaag, bijna twee weken na het begin van de gewelddadigheden kregen deze mensen voor het eerst hulp. In de vorm van voedsel.
Verdriet
Een oude vrouw stapt huilend uit een oude auto. Ze komt thuis, voor het eerst sinds twee weken. Ik kijk met de tranen in mijn ogen toe. Het is hartverscheurend haar rond te zien kijken, naar de puinhopen van de huizen van haar buren. Haar huis is gespaard gebleven, maar niet dat van haar kinderen. De oude dame weet niet waar ze moet kijken, is totaal ontdaan.
We gaan door, naar een school die grotendeels in de as gelegd werd, maar niet helemaal. Een klein aantal klaslokalen doet nu dienst als ‘thuis’ voor tientallen gezinnen die hun huis verloren. Hutje mutje slapen ze zij aan zij in wat ooit een leslokaal voor de kinderen was. Een meisje, ik schat haar van de leeftijd van mijn dochtertje, een jaar of 10, roept me na: ‘wat zal er met de tuin van de school gebeuren?’. Ik denk dat ze een grapje maakt en lach. Helemaal fout. Het kind begint met harde uithalen te huilen. Ik weet niet hoe snel ik terug moet lopen, pak haar stevig vast. Het lijfje van het meisje schokt, ik voel mijn shirt nat worden van haar tranen. Ik til het kind op, ze kan me niet verstaan, ik kan alleen maar hopen dat mijn Nederlandse woorden bedoeld zijn om haar te troosten.