Na lang rondhangen op de vreselijk onvriendelijke luchthaven van Moskou vliegen we verder naar Bisjkek. Tevoren was ons verteld dat alle vluchten van Bisjkek naar Osj volgeboekt zouden zijn maar het kost geen moeite om toch stoelen te bemachtigen. Taxichauffeurs trekken aan mijn mouw, voor $ 100 brengen ze ons met de taxi naar Osj.
Uurtje of acht rijden, zeggen ze. Meer een uurtje of 12, corrigeert collega en tolk Timerlan. Het alternatief, onze vlucht, is sneller. In de wachtkamer verzamelt een bonte menigte passagiers. Mannen met prachtige hoedjes, mooie, bijna oosters aandoende vrouwen, journalisten met een ontzagwekkende hoeveelheid bagage. Maar van dat laatste mag ik niks zeggen, ook ik kom gewapend met een loodzware Samsonite, voor bij elkaar nog geen week reizen. De kilo’s worden niet veroorzaakt door luchtige zomerkleding, maar wel door een kogelvrij vest. Eigenlijk vind ik dat ik niet hoor te reizen, als zo’n ding nodig is. Maar toch, toch verstandig om mee te nemen, bedacht ik na veel overleg met collega’s en journalisten. Beter ermee verlegen dan erom verlegen. Maar ik sjouw me een hernia.
Een oude Toepolev
Ik schrik als ik het vliegtuig zie staan waarmee we naar Osj vliegen: een stokoude Toepolev. Door de vaal geworden, hier en daar afgebladderde verf, zie je nog net wat Sovjet tekens. Ik word er niet geruster op als ik de cabine binnenstap, een muffe zware geur slaat op mijn adem. De bruin-oranje bekleedde stoel voor me is met plakband gerepareerd, minstens de helft van de stoelen kan niet meer in de, voor vertrek en landing vereiste, rechte stand. De stewardessen geven geen veiligheidsbriefing en passagiers voor me dragen geen veiligheidsgordel als we ronkend opstijgen. Beeld ik het me in of heeft het ragversleten toestel moeite zich over de bergtoppen heen te ploegen?
Opgelucht haal ik adem als, naar mijn idee met een veel te hoge snelheid, de wielen van onze antieke vliegmachine de landingsbaan van Osj raken. Op de luchthaven staan enorme tenten van het World Food Programme, het eerste teken dat er iets goed mis is hier. Onderweg naar ons guesthouse zien we de stille getuigen van het geweld: afgebrande huizen en winkels. SOS, staat met grote letters dwars over de weg heen geschreven net als op vele deuren en muren. Kirgiz, staat op andere deuren gekalkt, in de hoop dat de brandstichtende bendes deze huizen met rust zullen laten. Ook Oezbeken probeerden deze truc, maar faalden jammerlijk. Het geeft te denken. De plunderaars waren ervan op de hoogte welke woningen van Kirgiezen en welke van Oezbeken waren. Ook van een particulier ziekenhuis, nog maar zo kort geleden met stip de beste leverancier van gezondheidszorg voor de rijken, is niet veel meer over. Glas, verwrongen ramen, zwartgeblakerde muren, de puinhoop is enorm.
‘Osj is zijn beste ziekenhuis kwijt’
Verdrietig neemt een vrouw van Russische komaf ons mee door het kleine deel van het ziekenhuis dat niet in brand gezet is, maar waar verder ook niet heel veel van over is. Ramen met duimdikke glasplaten zijn kapot gegooid. Kasten uit elkaar getrokken, stoelen kapot gestampt. Hoeveel woede moet er nodig zijn om deze verwoesting aan te richten? ‘Osj is zijn beste ziekenhuis kwijt’, verzucht de vrouw, ‘de eigenaar is een goed man, hij wilde het beste voor de stad en het land. Zijn verliezen moeten heel groot zijn. De eigenaar is zijn ziekenhuis kwijt, en ik, en met mij velen, mijn baan.’ Voor de deur van het ziekenhuis staat het wrak van een uitgebrande auto. ‘Zo’n soort Mercedes’, zegt de vrouw met duidelijk ontzag voor de vergane glorie van deze automobiel.
We laten onze koffers (inclusief kogelvrij vest) in het hotel achter en gaan op pad. Aan de grens met Oezbekistan zien we vluchtelingen terugkomen. De taferelen zijn hartverscheurend. Mannen die in Osj bleven gedurende het geweld, wachten op hun gezinnen. In een cultuur waar het vast niet gewoon is affectie openlijk te laten zien, huilen mannen als ze hun kinderen stevig omhelzen en hun vrouw zelfs op het voorhoofd kussen. Ik zie stokoude mensen, en piepjonge kinderen. Het is snikheet in dit schaduwloze stukje Kirgizië. Een mooi jong meisje schudt beslist haar hoofd als ik haar vraag of ze zich veilig voelt, graag weer naar huis teruggaat. Het liefst zou ze direct weer weggaan en nooit meer terugkomen, vertaalt onze tolk.
Langs tanks met vast eenzelfde aantal jaren op de teller als de Toepolev die ons hierheen bracht, gaan we naar een wijk die hoofdzakelijk Oezbeeks is. Straat na straat, huis na huis, alles is verbrand.
Ook de school is niet gespaard gebleven, evenmin als de moskee in de buurt. Woedende buurtbewoners spreken ons aan, driftig wijzen ze op hun mobieltjes. We moeten kijken naar de filmpjes die ze maakten toen de wijk in vuur en vlam stond. Inderdaad zijn de beelden schokkend. Vooral die van dode, verbrande wijkbewoners, in alle gevallen mannen en jongens.
Een vrouw en haar drie dochters zoeken, met de sporen van opgedroogde tranen op hun wangen, in de treurige restanten van hun huis naar bruikbaar gebleven spullen. Zorgvuldig aan de kant gezet staan 3 bordjes en een theepot zonder deksel. Verder heeft niets de vlammen overleefd. ‘Mijn man was bakker, een goede bakker’, vertelt Mahfusa. ‘Kijk daar’, wijst ze naar een zwarte hoop stenen, ‘daar bakte hij het brood en daar verkocht hij het. We zijn ons huis kwijt, en ook ons inkomen.’ Ze schudt haar hoofd als ik haar vraag hoe het verder moet, hoe ze de toekomst ziet, van haarzelf en haar gezin. Er komt geen geluid uit haar mond. Mahfusa’s wanhoop is bijna tastbaar.
Net voor de avondklok ingaat komen we het hotel binnen. Menukeuze is er niet, bij het avondeten, want tot vandaag waren de meeste winkels gesloten. Het leven komt heel, heel langzaam weer op gang in Osj.